DE GEEST VAN OLYMPIA
Dat er deze zomer veel gesport zal worden, is u vermoedelijk al ter ore gekomen. Dat de Olympische Spelen in Parijs een belangrijk onderdeel van die sportzomer worden, ongetwijfeld ook. Uiteraard is het u al evenzeer bekend dat die vierjaarlijkse sportspelen geïnspireerd zijn door het gelijknamige fenomeen uit de oudheid.
Discus van Exoidas, brons, 6de eeuw v.Chr. (British Museum). Het opschrift vermeldt dat Exoidas met deze discus een wedstrijd won in Kefallenia. Hij wijdde de discus aan Kastor en Polydeukes. Foto: Heiko Fischer
Je luistert liever naar de blog? Dat kan hier.
De moderne Olympische Spelen zijn een mooi voorbeeld van wat ik graag ‘recyclage van de oudheid’ noem. Hergebruik dus. Altijd weer moeten we daar dan aan toevoegen dat die Spelen van ons in veel opzichten niet te vergelijken zijn met hun antieke voorganger. In deze beknopte zeshonderdwoorden- of vierminutenblog zal ik het niet hebben over wat er allemaal onvergelijkbaar ánders was, wel over wat volgens mij wél vergelijkbaar is. Dat de antieke én de moderne spelen steevast in volle zomer plaatsvonden en -vinden, is alvast een weggever als we het over vergelijkbaarheid hebben.
‘Deelnemen is belangrijker dan winnen’. Die leuze bedacht de bedenker van de moderne Olympische Spelen, de Franse baron Pierre de Coubertin. De Spelen waren voor hem een instrument om de fysieke weerbaarheid van jongemannen op te drijven, en hoe meer van die jongemannen daarbij betrokken waren, hoe beter. Vandaar: ‘Deelnemen is belangrijker dan winnen’. Dat zou voor oude Grieken als een vloek in de oren hebben geklonken. De Griekse samenleving was bijzonder competitief en dus was voor oude Grieken de omgekeerde leuze veel meer acceptabel: ‘Winnen is belangrijker dan deelnemen.’ Ik heb de stellige indruk dat anno 2024 de moderne Spelen dát antieke motto opnieuw hoog in het vaandel voeren: de medailles, en dan nog het liefst het gouden exemplaar, daar gaat het tenslotte om. Je wil in Parijs niet roemloos achttiende worden op de 110 meter horden.
Tweede gelijkenis: van de Olympische Spelen zelf word je als atleet niet rijk. Wel van de naam en faam die je verwerft als medaillewinnaar. Die kun je verzilveren op sportmanifestaties waar je wél het grote geld kunt verdienen, met sponsorcontracten, op sociale media, met mediadeals enzovoort. Het was in de oudheid niet anders. Ook toen leverde een overwinning op de Olympische Spelen vooral veel prestige op, en dat prestige kon je vervolgens als atleet te gelde maken in andere sportcircuits, met allerlei privileges en voordelen die je in je trotse vaderstad kreeg enzovoort.
Mijn derde en laatste gelijkenis, waar ook baron Pierre de Coubertin op hoopte: sport was voor de bedenker van de moderne Spelen een instrument om hoger te klimmen op de maatschappelijke sociale ladder. Jonge mannen uit de zogenaamde lagere standen kregen volgens hem door hard te trainen en door successen te boeken in de sport de kans om hun talent, hun weerbaarheid en hun doorzettingsvermogen letterlijk te gelde te maken. Ook dat fenomeen was bekend in de oudheid, waar sociale promotie een zeldzamer fenomeen was dan in onze tijd.

Beeld van een discuswerper in Washington, een geschenk van de Italiaanse regering. als dank voor de Amerikaanse hulp bij het terugvinden van kunstschatten na WOII. Foto: AgnosticPreachersKid.
Hier eindigt voor mij alweer een blogseizoen. Het was opnieuw een groot plezier om u van september tot juni in te wijden in het mysterie van de alomtegenwoordigheid van het gebruik van de oudheid in onze tijd. Als straks in Parijs de olympische vlam gaat branden – en dat is géén antiek fenomeen – hoop ik dat u misschien even aan mij gaat denken. Om mij vervolgens snel weer te vergeten en te genieten van al dat zomerse sporten. Ik wens u mooie maanden.
Je hebt een idee dat in deze reeks blogs past? Mail het naar Patrick De Rynck.
Meer over de oudheid in jouw leven? Check www.hic-nunc.be


