DOM!

Het wordt zomer, het weer valt vaak mee, er wordt gevoetbald en er wordt alom versoepeld, zoals dat heet… Tijd voor een luchtig onderwerp in deze laatste blog voor de vakantie. Domheid bijvoorbeeld. En de humor die daarbij hoort. DOM!

De Poperingse kei op de plaatselijke Grote Markt

Op de markt van het stadje Poperinge, waar ik mijn jeugd heb doorgebracht, pronkt een reuzenkei. Die staat daar niet zomaar. ‘Keikoppen’ worden de Poperingenaren genoemd sinds hun hard en koppig middeleeuws verzet tegen de privileges die de Ieperlingen twaalf kilometer verderop kregen. Ze zijn daar in Poperinge best wel trots op hun stugge bijnaam. Maar er is een probleem. Het duo ‘kei’ en ‘hoofd’ wijst van oudsher op nog iets anders dan koppigheid. We kennen schilderijen van de grootmeesters Bosch en Bruegel waarin kwakzalvers een kei uit iemands hoofd snijden. Lees: hem bevrijden van zijn domheid. De keikoppige Poperingenaren zijn dus volgens hun bijnaam, wel ja, ik zeg het niet graag en ik ben betrokken partij, ook een beetje dommig. Poperinge is een ‘domoord’, om het met dé autoriteit inzake domheid Matthijs van Boxsel te zeggen.

Daar wilde ik toe komen: het is een stokoude gewoonte of traditie om domheid met welbepaalde steden, dorpen of streken te verbinden. Dit schrijft Van Boxsel daarover: ‘De behoefte de domheid een plaats toe te kennen, is van alle landen en tijden.’ Gelukkig staan de Poperingenaren dus niet alleen met hun reputatie.

‘Een stokoude traditie’, zei/schreef ik. ‘Van alle tijden’, zegt kenner Van Boxsel. Dan weet u dat u met mij in de oudheid belandt. Ook toen werd domheid dus al gelokaliseerd. Én werden er moppen gemaakt over die domme oorden. Ik neem u daarom graag eerst mee naar het wonderlijke domein van de antieke humor. Meer bepaald naar het genre van de moppenboeken. Zo meteen kom ik terug op de domoorden.

In een van mijn vorige levens heb ik het enige moppenboek vertaald dat uit de oudheid bewaard is gebleven. Eén uit wat ooit een massa moet zijn geweest: ook Cicero, Caesar en Augustus verzamelden naar verluidt moppen. De meeste antieke moppen zijn reddeloos verloren. Als humor een koninklijke weg is om een cultuur te leren kennen, dan is dat verlies godgeklaagd.

Moppenboeken zijn een genre dat nog altijd bestaat, misschien wel een van de oudste die we kennen. Het internet bulkt van de verzamelingen moppen. Er was dus ook in de oudheid een levendige moppencultuur.

Terug naar de domoorden. De verzameling van zowat 265 Oudgriekse moppen die ik heb vertaald, bevat er een heel aantal over de inwoners van de stad Kyme aan de westkust van Klein-Azië en ook van de stad Abdera in Noord-Griekenland. De twee steden werden in de oudheid als spreekwoordelijk ‘dom’ afgeserveerd. Waarom, weten we niet. De Kymeërs en de Abderieten waren de Poperingenaren van de oudheid, als het ware.

Nu sta ik voor een tweesprong: vul ik de rest van deze blog met moppen met een antieke baard over de burgers van Kyme en Abdera? Of doe ik iets anders met de mij toegemeten ruimte? Ik ga voor een compromis. Hier volgt één Oudgriekse mop over een man uit Abdera. Of u zult schateren, durf ik u niet te beloven: ‘Een man uit Abdera wilde een pot zonder oren verkopen. Toen iemand hem vroeg waarom hij de oren eraf gebroken had, zei hij: “Hij wordt verkocht. Als hij dat hoort, zou hij wel eens op de loop kunnen gaan.”’ Einde van de mop. En dit is er eentje over een man uit Kyme: ‘Een man uit Kyme wilde bij een vriend op bezoek gaan en riep zijn naam toen hij voor diens huis stond. Een andere man zei tegen hem: “Je moet luider roepen, dan zal hij je horen.” Waarop de eerste riep: “Hallo, Luider?”’ Tot zover twee antieke moppen.

‘Beotiër’: het woord staat nog altijd in onze dikke Van Dale, en het betekent ‘domoor, lomperd’. Ook dat komt dus regelrecht uit de oudheid: de inwoners van de streek Boeotia in Midden-Griekenland waren spreekwoordelijk dom. En dus lachwekkend en een voorwerp van spot en van moppen. Alweer: waarom, weten we niet. Een beetje zoals Belgen in spreekwoordelijke Nederlandse ogen dom zijn. En Luxemburgers in Belgische ogen. Enzovoort. Soms had en heeft het met ligging te maken: plaatsen in de marge, ver van het machts- en culturele centrum, hebben meer kans om voor dom versleten te worden en uitgelachen te worden. Ook dat is van alle tijden. Trek het u dus niet aan, beste Limburgers.

Ik gun mezelf tot slot een zijsprongetje aan het eind van mijn eerste reeks blogs over de verwevenheid van onze tijd met de oudheid. Ik blijf bij de antieke moppentrommels, maar mijn laatste mop heeft niets met domme plekken te maken. Ze komt wel uit het Oudgriekse moppenboek waar ik het al over had. De Dead Parrot Sketch van Monty Python, die kent u? Het winkeltafereel waarin een klant (John Cleese) en een winkelier (Michael Palin) discussiëren of een pas gekochte Noorse blauwe papegaai nu al dan niet dood is? Wel, dit is nummer 18 uit mijn Oudgriekse collectie: ‘”De slaaf die je aan mij hebt verkocht, is nu al dood,” klaagde een man toen hij een sukkel tegenkwam. Waarop de sukkel zei: “Ik zweer het je, dat heeft-ie bij mij nooit gedaan.”’

Ik wens u een deugddoende, vrije en slimme vakantie. Waar u ook bent.

 

Trigger voor deze blog: de lectuur van het boek ‘De topografie van de domheid’ van Matthijs van Boxsel (Querido).

Het antieke moppenboek: ‘De grapjes. Een moppenboek uit de oudheid. Vertaald en ingeleid door Patrick De Rynck’ (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008).

De ‘Dead Parrot Sketch’: https://www.youtube.com/watch?v=vZw35VUBdzo

Je hebt een idee dat in deze reeks blogs past? Mail het naar Patrick De Rynck.

Reacties

  1. zeer interessant fenomeen van de Oudheid dat nieuw en fris oogt. Humor is zéér belangrijk in alle tijden!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *