ODE AAN CEZAR
Zowat zeventien jaar is hij bij ons geweest, onnadrukkelijk maar net zo goed onmiskenbaar en onvermijdelijk. Wat wij in zijn gezichtsveld ook allemaal uitspookten, hij bekeek het, vond er het zijne van en zuchtte soms diep. Waarna hij zich bij zichzelf op een zacht dekentje terugtrok, met een houding van ‘ach, het zal wel, al dat gedoe van jullie’. Of op het warmste plekje in de zon ging liggen. Tot op zijn laatste dag. Of op de dichtgeklapte, warme laptop van een van ons. Alsof hij wilde zeggen: ‘Hier ben ik, om mij kun je toch niet heen.’ En zo was het ook.
Cezar, +3-4-2023
Je luistert liever naar de blog? Dat kan hier.
Ik heb het over Cezar. En Cezar, dat is zeventien jaar lang de poes van ons gezin geweest. De enige echte. Hij kwam, zag en won de liefde van ons allemaal. Hij zag ons opgroeien of ouder worden. Enkele dagen geleden hebben we afscheid van hem moeten nemen. Wie het zelf niet heeft meegemaakt, kan het niet weten: afscheid nemen van dieren met wie je een band hebt, dat kan ferme emoties met zich meebrengen. Bij mensen. Ik lees bij Martha Nussbaum dat volgens recente enquêtes bijna iedereen die samenleeft met een kat of hond, dat dier als een lid van het gezin beschouwt.
Ik had het kunnen en moeten weten, natuurlijk. Want zo ongeveer alle bekende emoties, ook de band tussen mens en dier, ontmoeten we bij de oude Griek Homeros. Als in de Odyssee Odysseus eindelijk, na twintig jaar, terug is op zijn eiland Ithaka, ziet hij ook de hond weer die hijzelf als puppy nog heeft opgevoed. Argos is zijn naam. Argos is het eerste levend wezen dat de teruggekeerde Odysseus herkent, al heeft hij de kracht niet meer om naar zijn oude baasje toe te kruipen. Kwispelen kan nog net, schrijft Homeros. En dan: ‘Odysseus keek haastig opzij en veegde een traan uit zijn ogen.’ Even later sterft Argos.
Het is de eerste van niet weinig Oudgriekse teksten waarin dieren de hoofdrol spelen én waarin er op literaire wijze gerouwd wordt om gestorven en geliefde dieren. Dat gebeurt vooral in kortere gedichten die we ‘epigrammen’ noemen. Zo ken ik grafepigrammen voor een gesneuveld paard, een dode haan, inderdaad, en een overleden dolfijn, jawel. Dat laatste begint zo, in de ik-persoon: ‘Nooit meer zal ik vrolijk, in de wijd bevaarbare zee, mijn kop opgooien uit de diepte.’ Alle drie zijn die gedichten van de hand van Anyte, en dat is een van de zeldzame vrouwelijke auteurs uit de oudheid van wie er wat teksten bewaard zijn gebleven. Over haar puppy, genaamd Lokris, schreef Anyte: ‘Zelfs jij ging dood, in de dichte struiken, lieve Lokris, al was je de snelste van alle lief blaffende puppy’s. Maar een gevlekte adder spoot genadeloos gif in je lenige poot.’

(object invr.nr. 10105) Bijschrift: Dit beeldje van een zittende hond uit de collectie van het museum is aangetroffen in een kindergraf.
Homeros en zijn grootse heldenepossen versus de kleine, tedere epigrammen van Anyte: een grotere tegenstelling is nauwelijks denkbaar. Maar alle twee kennen deze oude auteurs, vermoedelijk een man en een vrouw, de liefde en het respect die mensen voor dieren kunnen voelen, en de gevoelens van verlies en spijt en ja, rouw die met de dood van zo’n geliefd dier gepaard kunnen gaan.
Nooit gedacht dat ik nog eens een kattenblog zou schrijven…
Trigger voor deze blog: de dood van huispoes Cezar. Het lezen van het boek ‘Gerechtigheid voor dieren’ van Martha Nussbaum, die het idee verkent of we gezelschapsdieren tot op zekere hoogte als medeburgers moeten zien.
Je hebt een idee dat in deze reeks blogs past? Mail het naar Patrick De Rynck.
Meer over de oudheid in jouw leven? Check www.hic-nunc.be


